Vroeger als kind (en nog wel) was ik een echte natuurliefhebber. Ik groeide op in Bussum aan de rand van een uitgestrekt heidegebied. Toen ik ca. 11 was bracht ik vele uren door in dit natuurgebied. Vaak samen met een vriendje met dezelfde interesse. Uren konden wij ons verschuilen in de hoge heide of achter struikgewas met de verrekijker in de aanslag. De vogels die wij zagen zochten wij dan op in een vogelboekje. Wij klommen in bomen om in nesten te kijken. Pluisden uilenballen uit. Wij verzamelden dode vogels om de veren dan te kunnen bewaren in ons eigen natuurmuseumpje. Een museum met boeken, veren, schedeltjes, gekochte opgezette dieren, gedroogde bladeren van diverse bomen, foto’s, etc. Echt wel gaaf!

Speciale interesse van mij hadden de grote mierennesten die je vaak in de bosrijke delen van dit gebied konden vinden. Opgetrokken uit de vele naalden die uit de bomen waren gevallen. Het betrof dan vaak rode mieren, zodat je wel moest oppassen om er niet in te gaan zitten. Als je nauwkeurig naar zo’n mierennest kijkt, kan je eigenlijk niet anders dan verwonderd zijn. Mieren zijn een sociale dieren die in hele grote groepen met elkaar samenleven. Elke mier heeft zijn eigen takenpakket in de kolonie.  Wat een bezigheid. Krioelende, talloze mieren die kriskras door elkaar heen rennen. En allemaal met een doel. Heel veel gesjouw van allerlei spullen. Onvoorstelbaar indrukwekkend en bewonderenswaardig. Daar kon ik heel lang naar kijken.

Vele jaren later, toen wij als gezin in Zambia woonden, hadden wij een huis op een berg met over vrijwel de hele breedte een trap met een tree of 10 die de entree tot ons huis was. Maar ook in Afrika zijn er heel veel mieren. Allerlei soorten. Hele grote tot hele kleintjes, waarvan sommige soorten zelfs dodelijk kunnen zijn. Ook hier was het altijd weer fascinerend om de mieren ongestoord te bestuderen. Alleen waren er ook talloze, grote mieren constant bezig onze trap langzaam maar zeker op de peuzelen. En dat gaat te ver! Dus noodgedwongen moest ik de mieren bestrijden. Gif uit een spuitbus! Halverwege de jaren negentig nog niet zo fout als nu! De paniek bij de mieren was dan groot. Verdwaasd liepen ze dan in blinde paniek door elkaar. Ik vond het zielig en voelde mij er niet lekker onder. Toch noodzakelijk!

Waar gaat dit mieren verhaal naar toe?, hoor ik jullie denken.

Afgelopen donderdag 3 januari had ik mij aangemeld als vrijwilliger om het clubhuis weer in te ruimen. Het uitruimen had ik gemist. In deze tijd van het jaar wordt de Vlinder verhuurd aan een acrobatenclub. Deze club maakt er een groots, meerdaags, festijn van. Daar verdient de stichting VierVlakVlinder goed aan. En dus verdienen de vier KISI verenigingen er goed aan. Maar de vier verenigingen moeten er wel wat voor doen. Uitruimen en weer inruimen. Maar dan ook werkelijk alles. Eigenlijk een soort jaarlijkse grote schoonmaak. Dus heel veel werk. Maar deze klus wordt geklaard door vrijwilligers, bestaande uit leden van alle verenigingen. En dit jaar was de opkomst van vrijwilligers groot. Er was veel bereidwilligheid om te helpen. En dat is fijn want vele handen maken licht werk.

En net als in een mierennest, waren hier eigenlijk ook twee koninginnen. Dat was ons eigen vrijwilligers duo: Joyce en André. Iedere vrijwilliger (zeg maar werkmier) kreeg zijn taak. En na een korte instructie veranderde de diverse vertrekken achter de bar van het clubhuis tot een waar mierennest. Overal liepen vrijwilligers doelgericht met iets te slepen van het ene vertrek naar het andere. Weer anderen deelden de kasten weer in. Weer anderen droogden de glazen.  Na ca. een uurtje was het klaar! De sfeer was heel erg goed. De voldoening was groot. Alle vrijwilligers van de vier verenigingen werkten met elkaar samen.

Even kneep ik er tussenuit om op een afstandje het geheel gade te slaan. Net als vroeger bij het bekijken van de mierennesten. Dit was een mooi mierennest met veel drukke, samenwerkende werkmieren onder leiding van onze twee Scylla-koninginnen. Even waande ik mij weer 11 jaar!

Vooral dus niet verstoren!

Hans Konig